MWB Online woordenboek
 

Vertalen

Woorden (Hoofdpagina)
Tekst
Vaakst vertaald

Ontspanning

Puzzelwoorden
Woordspellen
Rijmwoordenboek

Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

Spelling

Spellingalfabet
Goed en Fout
Spellingcontrole

Varia

Dialecten
Encyclopedie
Symbolen en ALT-codes
Tellen in andere talen
Themawoordenboeken
This site in English

Taalportalen

NL | DE | EN | ES | FR

De website

Partners | Contact | Privacy

Woordenboek Duits-Nederlands

Dit woordenboek toont circa 10.000 Duitse woorden met Nederlandse vertaling. Voor een uitgebreide vertaling met voorbeelden en definities klikt u op het Duitse woord.

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Dit is een beknopt woordenboek Duits-Nederlands. Als een woord er niet bij staat probeer dan het vertaalvenster onderaan, deze geeft toegang tot meer dan 100.000 Nederlandse woorden met Duitse vertaling.

Resultaten 1-150 van 1126 woorden met letter A

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende

à• à
• bij
• elk
• ieder
• telkens
Aachen• Aken
Aal• aal
• paling
Aalraupe• aalpuit
• kwabaal
• puitaal
Aaltierchen• aaltje
• draadworm
Aalwurm• aaltje
• draadworm
Aar• adelaar
• arend
ab• heen
• over
• vandoor
• verwijderd
• voort
• weg
ab und zu• af en toe
• bij tijd en wijlen
• bij wijlen
• nu en dan
• van tijd tot tijd
Abakus• abacus
• telraam
Abart• aard
• slag
• soort
Abbate• abbé
• abt
Abbé• abbé
• abt
Abbild• afbeelding
• beeld
• figuur
Abbildungsfehler• aberratie
• afwijking
abbrechen• afbreken
• breken
• doorbreken
• schenden
• stukbreken
• verbreken
ABC• ABC
• alfabet
• basisbeginselen
• eerste beginselen
• grondbeginselen
abdanken• abdiceren
• abdiqueren
• afstand doen
• afstand doen van
• aftreden
• bedanken
• ontslaan
• ontzetten
• royeren
• uittreden
abdecken• ontdekken
abdizieren• abdiceren
• abdiqueren
• afstand doen
• afstand doen van
• aftreden
Abdomen• abdomen
• achterlijf
• onderbuik
• onderlichaam
• onderlijf
Abdruck• drukwerk
Abend• avond
Abendessen• avondeten
• avondmaal
Abendmahl• avondeten
• avondmaal
abends• 's avonds
Abenteuer• avontuur
• lotgeval
• perikel
• wederwaardigheid
aber• doch
• echter
• maar
• niettemin
• toch
Aberglaube• bijgeloof
abermalig• alweer
• nogmaals
• opnieuw
• van voren af aan
• weder
• wederom
• weer
abermals• alweer
• nogmaals
• opnieuw
• van voren af aan
• weder
• wederom
• weer
Aberration• aberratie
• afwijking
Abessinier• Abessijn
• Abessiniër
abfahren• afrijden
• uitlopen
• uitvaren
• vertrekken
• wegrijden
Abfahrt• afrit
• afvaart
• vertrek
abfassen• componeren
• maken
• scheppen
• schrijven
abfertigen• afzenden
• expediëren
• verzenden
abfällig• ongunstig
Abgabe• afgifte
• belasting
• inlevering
• overdracht
• recht
abgedroschen• afgezaagd
• alledaags
• banaal
• gewoontjes
• nietszeggend
• plat
Abgefallener• afvallige
• apostaat
• geloofsverzaker
abgefeimt• doortrapt
• gewiekst
• listig
• slim
• uitgeslapen
abgelebt• aftands
• bouwvallig
• gammel
• uitgeleefd
• uitgewoond
• wrak
abgeneigt• ongunstig
Abgeordnete• afgevaardigde
• gedelegeerde
• gedeputeerde
abgesondert• afgezonderd
• afzonderlijk
• apart
• bijzonder
• los
abgetrennt• afgezonderd
• afzonderlijk
• apart
• bijzonder
• los
Abgrund• afgrond
abgöttisch lieben• aanbidden
• adoreren
• verafgoden
• vereren
Abhang• glooiing
• helling
• schuinte
abholen• afhalen
• rissen
• ritsen
• wegnemen
abhängen• afhangen
• afhankelijk zijn
• deel uitmaken
abhängig• afhankelijk
• onderhorig
abhärten• harden
• stalen
• temperen
Abirrung• aberratie
• afwijking
Abiturient• abituriënt
abkaufen• aankopen
• aanschaffen
• afnemen
• inkopen
• kopen
• overnemen
abkehren• aanvegen
• bezemen
• opvegen
• schoonvegen
• vegen
Abkomme• afstammeling
• nakomeling
• nazaat
Abkommen• akkoord
• overeenkomst
• overeenstemming
abkürzen• afkorten
• bekorten
• inkorten
Abkömmling• afstammeling
• nakomeling
• nazaat
Ablagebrett• plank
• schap
ablassen• afleggen
• opgeven
• prijsgeven
Ablativ• ablatief
ablehnen• afkeuren
• afslaan
• afwijzen
• nee zeggen tegen
• terugwijzen
• vertikken
• verwerpen
• weigeren
• wraken
ableiten• abstraheren
• afdraaien
• afkeren
• afleiden
• aftappen
• deduceren
• pareren
ablösen• aflossen
• de plaats innemen van
• inspringen
• vervangen
abmessen• afmeten
• meten
• opmeten
• opnemen
• roeien
• uitmeten
abmähen• maaien
• zichten
Abnahme• aftrek
abnehmen• afhalen
• afzetten
• amputeren
• rissen
• ritsen
• wegnemen
• wegsnijden
Abnehmer• afnemer
• klant
• koper
Abneigung• afkeer
• antipathie
• hekel
abnorm• abnormaal
abnutzen• consumeren
• slopen
• verbruiken
• verorberen
• verteren
Abolition• afschaffing
Abonnement• abonnement
Abonnent• abonnee
• geabonneerde
abonnieren• een abonnement nemen
• een abonnement nemen op
• zich abonneren
• zich abonneren op
abordnen• afvaardigen
• delegeren
Aborigener• inboorling
• inlander
Abort• gemak
• kleinste kamertje
• plee
• privaat
• toilet
abortieren• aborteren
• een miskraam krijgen
• mislukken
• ontijdig bevallen
abpflügen• afbreken
• afplukken
• afrukken
• plukken
• wegscheuren
Abrasion• abrasie
• afkrabbing
• afslijting
• wegkrabbing
abrechnen• aftellen
• aftrekken
• afwikkelen
• inhouden
• korten
• liquideren
• opheffen
• solveren
abreiben• aanstrijken
• uitwrijven
• wrijven
abreisen• afgaan
• afrijden
• uitlopen
• uitvaren
• vertrekken
• weggaan
• wegrijden
• zich verwijderen
abreißen• afbreken
• afplukken
• afrukken
• plukken
• wegscheuren
abrichten• africhten
• dresseren
• temmen
Abriß• ontwerp
• opzet
• plan
• plattegrond
abrupt• abrupt
• bruusk
• kortaf
abräumen• afnemen
• afpakken
• weghalen
• wegnemen
Absatz• alinea
abschaffen• afschaffen
• elimineren
• opdoeken
• uitmaken
• verwijderen
• wegdoen
Abschaffung• afschaffing
abscheiden• afscheiden
• afzonderen
• scheiden
• schiften
abscheren• knippen
• scheren
• snoeien
Abscheu• afgrijzen
• afschrik
• afschuw
• weerzin
Abscheu emfinden vor• een afschuw hebben van
• een weerzin hebben tegen
• verafschuwen
• verfoeien
abscheulich• abominabel
• afgrijselijk
• afschuwelijk
• ijselijk
• verfoeilijk
Abschied• adieu
• afscheid
• vaarwel
Abschied nehmen• afscheid nemen
• afscheid nemen van
• vaarwelzeggen
• vaarwelzeggen tegen
Abschied nehmen von• afscheid nemen
• afscheid nemen van
• vaarwelzeggen
• vaarwelzeggen tegen
abschlagen• afkeuren
• afwijzen
• terugwijzen
• vertikken
• weigeren
abschließen• aangaan
• afsluiten
• contracteren
abschneiden• afsnijden
• afsteken
• afzetten
• amputeren
• knippen
• scheren
• snoeien
• wegsnijden
abschweifen• afslaan
• afwijken
abschüssig• steil
abschätzen• begroten
• schatten
• taxeren
• waarderen
absehen• bedoelen
Absender• afzender
• verzender
• zender
Absicht• bedoeling
• doel
• plan
• strekking
• toeleg
• voornemen
• zin
absichtlich• expres
• met opzet
• moedwillig
• wetens
Absinth• absint
• absintlikeur
Absinthlikör• absint
• absintlikeur
absolut• absoluut
• onvermengd
• onvoorwaardelijk
• puur
• volstrekt
• zuiver
Absolution• absolutie
• vrijspraak
Absolutismus• absolutisme
absolvieren• absolveren
• de absolutie geven
• vrijspreken
absondern• afscheiden
• afzonderen
• isoleren
• scheiden
• schiften
absorbieren• absorberen
• in beslag nemen
• opslorpen
abstammen• afstammen
• het gevolg zijn van
• ontspruiten
• voortkomen
Abstand• afstand
• eind
• end
• spatie
• tussenruimte
abstempeln• aanmunten
• afdrukken
• slaan
• stempelen
• zijn stempel drukken op
abstinent• bezadigd
• matig
• nuchter
• sober
• stemmig
Abstinenz üben• abstineren
• zich abstineren
• zich onthouden
abstrahieren• abstraheren
abstrakt• abstract
• afgetrokken
Abstufung• nuance
• nuancering
• schakering
absurd• absurd
• dwaas
• ongerijmd
• onzinnig
• zinneloos
• zot
Abszeß• abces
• etterbuil
• ettergezwel
Abszisse• abscis
Abt• abbé
• abt
Abtei• abdij
Abteil• compartiment
• coupé
• treincoupé
abteilen• afscheiden
• afzonderen
• scheiden
• schiften
Abteilung• afdeling
• branche
• detachement
• tak
• team
• vak
abtreiben• aborteren
Abtreibung• abortus
• abortus provocatus
• vruchtafdrijving
abtrennen• afscheiden
• afzonderen
• scheiden
• schiften
abtreten• afstaan
• toegeven
• wijken
Abtritt• gemak
• kleinste kamertje
• plee
• privaat
• toilet
Abtrünniger• afvallige
• apostaat
• geloofsverzaker
abwarten• te wachten staan
• verwachten
• wachten
Abwehr• afweer
• defensie
• verdediging
• verweer
• weer
abweichen• afslaan
• afwijken
• schelen
• uiteenlopen
• verschillen
Abweichung• aberratie
• afwijking
abweisen• afslaan
• afwijzen
• nee zeggen tegen
• verwerpen
• weigeren
• wraken

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende

Vertalen


Woordenboeken (DE)

Algemeen Nederlands-Duits woordenboek Algemeen Duits-Nederlands woordenboek

Themawoordenboeken

Automatisering Duits-Nederlands Bouw en Constructie Duits-Nederlands Elektrotechniek Duits-Nederlands Economie en handel Duits-Nederlands Juridisch Duits-Nederlands Landbouw en Voedselverwerking Duits-Nederlands Management Duits-Nederlands Medisch Duits-Nederlands Meteorologie en Astronomie Duits-Nederlands Millieu en Chemie Duits-Nederlands Techniek en Industrie Duits-Nederlands Transport en Verkeer Duits-Nederlands

Werkwoorden (DE)

Typ een werkwoordsvorm om het hele werkwoord te zien
A B C D E F G H I J K L M
N O P Q R S T U V W X Y Z

Synoniemen (DE)

Typ een woord om de synoniemen te zien
A B C D E F G H I J K L M
N O P Q R S T U V W X Y Z

Encyclopedie (DE)

Zoek een Duits woord of onderwerp op in de Enzyklopädie.  
Klik op `Artikel` als u direct dit artikel wilt zien, klik op `Suche` als u alle artkelen met dit woord wilt doorzoeken.

Spellingcontrole (DE)

Typ tot 100 woorden om de spelling te controleren

© Mijnwoordenboek 2008