Let op!
Wanneer je een vraag maakt mag je bij de past simple geen did gebruiken wanneer het
vraagwoord van de zin onderwerp is
Vergelijk de volgende vragen bij deze zin:
Phoebe sold all her books.
What did Phoebe sell?
Who sold all her books?
Bij de vraag
What did Phoebe sell?
is Phoebe het onderwerp en niet het vraagwoord What.
Je moet dus gewoon did in de vraag gebruiken.
Bij de vraag
Who sold all her books?
is het vraagwoord Who het onderwerp.
Je mag hier geen did gebruiken.
Gebruik:
1
De actie/handeling is in het verleden begonnen en is ook afgelopen. Het is voorbij. Er staat heel
vaak een tijdsbepaling (last week, some time ago, yesterday, when I was a child, in 2002) in
de zin.
He went to London yesterday
The train passed two minutes ago.
2
Een (boek)verslag
The farmhouse was in darkness when they arrived,
the sky above them sprayed with stars.
They stumbled to the door,
opened it and went in.
3
Bij de werkwoorden belong / forget / remember / seem
He didnt remember
I always forgot to bring my history book.
4
Bij werkwoorden die aangeven:
I realised it was not true
I smelled gas
I needed two pencils
I had two dogs.
Mening
Zintuigelijke
waarneming
Wens/Bevel
Bezit
believe
dislike
like
love
hate
know
mean
realise
seem
suppose
understand
feel
hear
see
smell
taste
need
prefer
want
have
own
possess