1
Een handeling of activiteit was in het verleden al een tijdje aan de gang. De handeling
wordt vaak onderbroken door een andere gebeurtenis. Deze gebeurtenis staat in de Past Simple.
They were playing hockey when it began to rain.
I was reading a book when the tv exploded.
2
Twee handelingen/activiteiten die op hetzelfde moment in het verleden aan de gang waren.
Cyril was reading while my mother was preparing lunch.
Let op!
De vertaling van jij was wil wel eens problemen opleveren. Je moet jij was vertalen met you were
6 Have/has + voltooid deelwoord / voltooid
tegenwoordige tijd
(present perfect (v.t.t.))
Vorm:
has (3
e
persoon enkelvoud = he, she, it) / have (overig = I, you, we, they)
+ voltooid deelwoord.
Het voltooid deelwoord wordt als volgt gemaakt:
regelmatige werkwoorden à werkwoord + ed
rain à rained
ask
à asked
-wanneer het werkwoord al op een e eindigt voeg je alleen een d- toe
hate à hated
decide à decided
-wanneer het werkwoord eindigt op een medeklinker + y à ied
cry à cried
(vergelijk: play
à played)
onregelmatige werkwoorden à 3e rijtje
go
- went - gone
see
- saw - seen
Let op!
In het nederlands wordt de v.t.t. gemaakt door:
heb(ben) + voltooid deelwoord
Zij hebben gezongen
They have sung
ben / is /zijn + voltooid deelwoord
Het vliegtuig is al geland
The plane has already landed
Het engels kent dus alleen maar has / have + voltooid deelwoord.
Vragend en ontkennend maken
Staat er een hulpwerkwoord in de zin?
Vragend Ja: Haal het hulpwerkwoord naar voren
The train has arrived.
Has the train arrived?